Meef en altijd zo geweest
Piguel, Just as Always

tekst compleet  ·  illustraties in voorbereiding  ·  engelstalige vertaling volgt

Nederlands

I  —  Meef is Meef

Meef is een eigenaardige vogel, kijk maar eens goed! Met zijn witte veren, grijze vleugels en zwart-getinte staart, lijkt hij op een meeuw. Maar zijn vorm is duifachtig, klein en mollig, met een korte nek en een kleine kop. Zijn snavel is geel zoals die van een meeuw, maar recht zoals die van een duif.

Zoals je ziet, Meef is net geen meeuw en net geen duif.

Als je Meef in het park tegenkomt en even blijft staan van verwondering, merkt hij dat niet. Meef maakt zich geen zorgen om zijn uiterlijk maar hij zal ontdekken dat mensen dat wel doen.

En jij, jij bent toch ook een mens: hoe zie jij Meef?

II  —  Verwarring in het Hok

Op een regenachtige dag was Meef op zoek naar een beschutte plek om zijn veren te drogen en een dutje te doen. Hij hoorde geloei en geblaat van de boerderij onder hem en zag een klein, open raam in één van de schuren. Het leek op een duivenhok. Meef was bekend met zulke hokken: het waren de beste plekken om even te rusten en zelfs een snack te vinden. Het hok was knus en warm van binnen. Duiven groot en klein zaten op stokken of liepen in rondjes op de grond. Er waren genoeg zaden en droge wormen voor iedereen. Meef landde op een vrije plek naast een oude duif en wachtte zijn beurt af om bij de voederbak te komen.

Dit was een kinderboerderij en de glurende gezichten van nieuwsgierige bezoekers waren niet vreemd voor Meef. ‘Mam, die daar heeft een grappige kleur’, zei een meisje en wees met haar vinger in de richting van Meef. Meef keek om zich heen maar zag geen grappig uitziende duiven. Hier en daar wat verwarrde veren of een kromme poot misschien maar niets uit het gewone. Dat jonge mens was best een beetje onbeleefd, bedacht hij. De vinger bleef naar hem wijzen en Meef besloot het maar te negeren terwijl hij rustig in de rij bleef wachten.

Een dikkige man voegde zich bij het meisje en haar moeder. ‘Kijk pap, deze lijkt eigenlijk niet echt op een duif, is ie ontsnapt?’. De man kwam net terug van de wc, hopend dat zijn dochter ondertussen klaar zou zijn met het bewonderen van de duiven. Dat was ze niet. Integendeel, ze was erbij gaan zitten en staarde naar Meef. De vader wilde terug naar de auto maar wist dat zijn dochter zou protesteren zonder een goed antwoord. ‘Misschien is het een tropische duivensoort die ze speciaal uit het buitenland hebben gehaald’, zei hij tenslotte. ‘Pap, nu zeg je maar wat’, zei het meisje en gaf haar vader een geïrriteerde blik. ‘Ik weet het niet, schat’, zei de vader ongeduldig, ‘misschien is het een vreemde eend in de bijt, of moet ik zeggen, duif in het hok?’ Hij wist dat ze te laat gingen komen voor de film als hij niet nu meteen dit raadsel ging oplossen. ‘Vooruit, dan halen we de beheerder erbij’, zei hij, ‘die weet vast wat er aan de hand is met die vogel’. En weg waren ze.

Meef begreep dat het meisje de duiven erg leuk vond. Zo leuk dat ze er nog iemand bij gingen halen. Meef knikte instemmend, gezelschap maakt alles leuker. Een duif was klaar met eten en Meef schoof iets verderop langs de tak. Bijna etenstijd!, dacht hij, toen hij plots werd opgetild door twee grote handen. Het was de beheerder en ze was behoorlijk in de war.

‘Jij bent een vreemd uitziende duif, mijn gevleugelde bezoeker’, zei ze tegen Meef. ‘Helemaal niet’, antwoordde Meef, ‘ik ben Meef, en altijd zo geweest’. ‘Hij hoort niet bij de duiven’, ging ze verder tegen de dochter en vader, ‘misschien is hij ontsnapt uit het laboratorium waar ze meeuwen bestuderen’. Ze keek weer naar Meef en aaide zijn grijze vleugels. ‘Hoewel… als je een meeuw bent, had je mij kunnen foppen’, zei ze met een glimlach. ‘Kom, we gaan het even uitzoeken’.

Illustratie

[ illustratie volgt ]

III  —  MeeuwenLab

Het laboratorium bevond zich in een hoog gebouw met uitzicht op een groot, groen park. De voorkant was versierd met grote zuilen en oude, marmeren ramen. Dit was een serieus gebouw waar ze serieus onderzoek deden. Met Meef in een kooi op de achterbank, stopte de beheerder bij de ingang. Tegen de intercom vertelde ze over de mogelijk verdwaalde meeuw. ‘Verdwaalde meeuw? Ik geloof niet dat één van onze kwijt is. Ik ga het even navragen bij mijn collega’s, geduld alsjeblieft’, antwoordde een metalen stem. De beheerder keek naar Meef: ‘het moment van waarheid, niet waar?’, zei ze. Meef vroeg zich af welke waarheid ze bedoelde.

Het geluid kwam terug op de intercom. ‘Breng hem naar boven, kan geen kwaad om het even te checken’, zei de stem, ‘ik weet niet precies hoeveel we er hebben hoor, maar als dat kleine ventje verdwaald en alleen is, zal hij gezelschap vinden bij de anderen, en we kunnen altijd meer gebruiken’. Meef verheugde zich ontzettend op het idee anderen zoals hij te ontmoeten. Hoe meer, hoe beter. Ze hebben waarschijnlijk ook wat snacks, dacht hij, ik begin nu echt honger te krijgen.

De kantoorruimte was wit en vol met apparaturen en bureaus. Wetenschappers zaten achter hun tafels, druk typend op hun computers. De lucht rook naar schoonmaakmiddel en vogelpoep. Het licht boven hun hoofd was fel en onvriendelijk. Meef zag een grote kooi met meeuwen. Hij hoorde ze ook. Ze protesteerden luidkeels: ‘We hebben dorst, Witjassen, dorst hebben we’, was hun klacht.

De beheerder voelde zich wat verloren en hield Meef’s kooi stevig vast. Ze wachtte geduldig tot één van de wetenschappers naar haar toe zou komen. Niemand kwam. ‘Zet de meeuw in de volière bij de anderen’, riep één van hen opeens, ‘dan zal hij met de volgende groep meedoen’. Zonder nog iets te vragen, deed de beheerder precies dat. ‘Daar ga je, kleine vriend’, zei ze een beetje ongemakkelijk, ‘hopelijk pas je hier beter dan bij de duiven’.

De meeuwen leken de komst van de nieuweling te waarderen. Zelfs één zo uniek als Meef. Meeuwen reageren vaak boos op bezoek maar deze labmeeuwen waren vooral nieuwsgierig. Misschien kwam het uit pure verveling of door de lichte uitdroging, maar Meef werd maar eventjes gepikt door iedereen. Snel daarop klikten snavels in vriendschap. Elke wetenschapper die nu keek, zou denken dat Meef een meeuw was net als alle andere meeuwen om hem heen.

Arme Meef, dit was allemaal heel aangenaam en toch wilde hij vooral wat eten en dan een dutje doen. Op naar de voederbak, zei hij tegen zichzelf en de meeuwen. Maar voordat Meef eindelijk kon eten, werd hij weer opgepakt en meegenomen. Ditmaal richting het waterstation om deel te nemen aan een experiment.

IV  —  Drink-Me-Niet Experiment

Het station bestond uit een grote glazen hok waarin drie waterbakken stonden. Boven elke waterbak hing een ander obstakel: een grote glazen plaat, een zachte foamlaag, en een windmaker. De burgemeester had besloten dat er minder meeuwen op bezoek mochten komen. Ze waren tenslotte brutaal en poepden overal op het stadsplein. Als ze minder makkelijk van het fontein konden drinken, gingen ze vast ergens anders heen. Maar hoe kreeg je ze weg? De wetenschappers zochten naar een vriendelijke manier om de vogels bij het water weg te houden. Iedereen weet dat meeuwen drinken door hun kop op te tillen: wat als er iets boven hun hoofd hing waardoor drinken onmogelijk werd?

Samen met tien meeuwen, werd Meef in het waterstation geplaatst. Water, Water, Water, krijsten de meeuwen opgewonden. Vier wetenschappers namen hun plaats achter een grote tafel met uitzicht op het station.

De meeuwen fladderden snel naar de drie bakken. Bij de glazen plaat, probeerden drie meeuwen hun geluk. Elke keer als ze hun snavel omhoog brachten, klonk er een luide TIK. Dorst, zeiden ze tegen elkaar, tussen het tikken door. Geen succes. Bij de zachte foamlaag ging het net zo slecht: drie andere meeuwen raakten steeds klem met hun snavel en door de verwarring, morste elk slokje water. Nog steeds dorst, krijsten ze. Bij de windmaker waren de andere vier meeuwen druk bezig tegen de wind in hun slok binnen te houden. Tevergeefs!

De witjassen maakten wat extra aantekeningen terwijl ze zo nu en dan tevreden naar elkaar knikten. De obstakels leken te werken. Maar toen hielden ze op met aantekeningen maken en richtten hun blik op Meef.

Wij weten natuurlijk iets wat de wetenschappers niet weten. Ze denken dat Meef een meeuw is en dus zijn kop hoog in de lucht moet gooien om te kunnen drinken. Maar Meef heeft een duivensnavel die werkt als een rietje. Hij kan het water gewoon naar binnen zuigen zonder zijn kop te bewegen.

Onze vriend zag de wetenschappers staren. Ik zal veel drinken, dacht hij, deze Witjassen hebben zo’n leuke waterpark gebouwd. Meef vloog van de ene waterbak naar de andere, en overal plaatste hij zijn snavel recht in het water voor een grote slok. Toen hij weer opkeek, stonden de Witjassen tegen het hok gedrukt. Ze fluisterden zachtjes met elkaar terwijl ze hem bleven aankijken. Kijk eens, bedacht hij terwijl hij rondvloog tussen de dorstige meeuwen, dat heb ik goed gedaan.

V  —  Witjassen Dilemma

‘Hij verstoort onze resultaten’, zei één Witjas zachtjes, ‘dat is dan weer geklaag van de burgemeester’. Hij wilde niet de aandacht van het hele laboratorium aantrekken. ‘Is dat die ene die de beheerder bracht?’, zei een tweede Witjas, terwijl hij het hok opende en het station binnenliep. Na wekenlang meeuwen te observeren, waren de wetenschappers nu uit hun laboratoriumslaap ontwaakt.

‘Breng die vogel hier’, zei de eerste Witjas, wijzend naar een kleine kooi op de tafel voor hem. De andere drie voegden zich bij hem en samen bogen ze zich over Meef. Ze waren altijd dé experts als het ging om meeuwen-dingen maar nu waren ze vooral in de war. ‘Kijk, hij heeft inderdaad de veren van een meeuw’, zei de derde Witjas terwijl hij zijn grote bril afnam om die schoon te poetsen. Misschien dacht hij dat hun vieze glazen hem dingen lieten zien die er niet waren. ‘En de poten, die hebben zwemvliezen zoals een meeuw’, voegde de eerste weer toe.

De vierde Witjas bleef lang stil. ‘Het is de snavel, kijk… voor het eerst dat ik een meeuw zie met zo’n puntsnavel’, zei zij tenslotte, ‘ik weet dat duiven dit soort snavels hebben, is hij misschien een soort duif?’. De wetenschappers werden weer stil en keken naar Meef. ‘Hij lijkt op een meeuw maar met zo’n snavel is hij dat zeker niet’. Onze vriend was blij hen uit hun verwarring te helpen. ‘Maak je geen zorgen, Witjassen’, zei hij, ‘ik ben Meef en altijd zo geweest’. ‘Wat gaan we doen?’, zei de eerste, bijna in hysterie, ‘weken van onderzoek, naar de knoppen’. ‘Naar buiten met hem’, antwoordde de derde. Vastbesloten nam de tweede Witjas Meef in zijn handen en liep naar een nabijgelegen open raam. ‘Vaarwel’, zei hij terwijl hij de vogel aan de koele herfstwind overhandigde, ‘ik wil die snavel hier nooit meer zien, begrepen?’. Meef omarmde de zachte wind en liet zich meevoeren naar het nabijgelegen park.

VI  —  Expert Ontmoeting

Meef landde op de vochtige grond bedekt met dorre bladeren. De regen was opgehouden en er waren weer mensen aan het wandelen buiten. Een oudere mens ging net op een bankje zitten dat uitzicht bood op een grasveld met eikenbomen. Meef vond dat de bomen en de oude mens een beetje op elkaar leken: allebei waren ze gebogen en gerimpeld. Op dit punt van het verhaal had Meef echt ontzettende honger en de bomen boden een heerlijke maaltijd van rijpe eikels. Bij het zien van al dat lekkers, werd hij opgewekt.

Ook de oude man was opgewekt. Hij strekte zijn oude rug om beter naar de vogel te kijken. De komst van onze vriend had hem verbaasd en het was niet makkelijk deze man te verrassen. Professor Fridman werd ook wel een ornitholoog genoemd: een expert in vogels. Hoewel hij met pensioen was gegaan, was zijn liefde voor vogels nooit uitgedoofd. Vaak ging de professor naar het park om zich aan de vogels te verwonderen. Op zijn bankje zat hij dan te dromen over vogel-zijn. ‘Ik zou de meest bijzondere vogel van hen allen zijn,’ zei hij tegen zichzelf, ‘met gevaarlijke klauwen en zilverkleurige vleugels’. Wanneer vogels dichtbij kwamen, floot hij zijn eigen vogellied. Dan daagde hij ze uit hem te imponeren met hun gezang. En al waren hun liedjes nog altijd even mooi, de professor wist ook dat hij ze allemaal al eens had gehoord en gezien.

Behalve deze dan, dacht de oude man terwijl hij Meef observeerde. Een meeuw die zo dol is op eikels? De professor ging nog beter kijken. Dat is helemaal geen meeuw, besefte Fridman, maar wat dan wel? Hij stak een hand in zijn zak en voelde de vertrouwde, oude buidel met vogelvoer. Hij kende vogels en wist dat Meef erg hongerig was. Hij wist ook dat geen enkele vogel ooit zijn speciale vogelsnoepjes had weerstaan. De professor legde een paar stukjes op de grond en wachtte af.

Meef rook de heerlijke geur en volgde zijn snavel naar de verkruimelde snoepjes. Zijn honger was zo groot dat hij de professor volledig vergat. Toen Meef dichterbij kwam, kreeg de professor een enorme grijns om zijn lippen. Daar was hij dan, dacht Fridman, een geheel onbekende soort en mijn eigen unieke ontdekking. ‘Ik zal je fridmanus Avia noemen,’ zei hij tegen Meef en voordat onze vriend kon uitleggen dat hij al een naam had, hield de professor hem zachtjes vast. Het is waar dat de professor trager was in zijn oudere jaren maar zijn handen waren zo snel als ooit. Hij plaatste Meef in zijn tas met snoepjes. Weer bevond Meef zich in menselijk gezelschap. Maar deze keer zou zijn buik eindelijk vol zijn.

VII  —  Meef als Geen Ander

Door de opwinding was de ornitholoog zijn familiebezoek helemaal vergeten. Toen hij thuiskwam, begroetten zijn dochter en kleinzoon hem hartelijk. Fridman had geen tijd voor hen. Hij stond op het punt geschiedenis te maken.

De professor haastte zich voorbij zijn familie rechtstreeks naar zijn donkere, stoffige kamer. Daar, in ontzag en stilte, opende hij zijn buidel. Meef was onderweg in slaap gevallen en voelde zich nu goed gevoed én lekker uitgerust. Hij keek rond. Wat een mooie kamer, dacht hij, kijkend naar de enorme boekenkast die een hele muur bedekte. Het waren allemaal academische boeken over natuur, literatuur en wiskunde. Maar de meeste boeken gingen over vogels. Alle vogels die ooit ontdekt waren door de mens, waren terug te vinden in die boeken. De oude man kende al die boeken en dus kende hij alle vogels. Of dat was wat de professor dacht.

Fridman pakte zijn vergrootglas op om Meef goed te bekijken. Hij keek en keek nog eens. Meef keek beleefd terug. Behalve eten en slapen, had Meef niet veel wensen dus wachtte hij nieuwsgierig af. Fridman knikte een paar keer terwijl hij met het vergrootglas op een vergeelde tand tikte. Toen draaide hij zich om naar zijn boekenkast zonder Meef nog iets te zeggen. ‘Zou het kunnen?’, fluisterde hij tegen zichzelf, ‘ik moet het echt zeker weten voordat ik verder ga’. De professor begon allerlei boeken uit de kast te trekken. In een mum van tijd lag zijn grote, houten bureau er vol mee. Meef moest steeds meer ruimte vrij maken voor de openliggende boeken en vloog bij de tafel vandaan toen een boek bijna op zijn pootjes belandde.

De deur van het kantoor stond open en een zwakke lichtstraal scheen de donkere kamer binnen. Meef’s aanwezigheid leek niet langer nodig te zijn en dus besloot hij de warme zonnestraal naar buiten te volgen. Voordat hij wegvloog, nam Meef afscheid van de professor maar die hoorde hem niet meer. De ornitholoog was al lang verdwaald geraakt tussen zijn boekexemplaren, op zoek naar een vogel die er niet in stond.

VIII  —  Tuingesprek

Na alle regen voelde de zon als een warme deken op Meef’s veren. De nattigheid gaf de tuin een prachtige glinstering. Elke druppel bevatte een regenboog. De wereld is vol kleur, dacht Meef, terwijl hij op een struik neerstreek. Zijn beweging deed de kleine takken schudden en de druppels sprongen van vreugde. Meef zong zijn lied en wiebelde vrolijk op en neer. De druppels vielen op de grond en spatten uiteen.

Nadat Fridman zich had teruggetrokken, besloten dochter en kleinzoon ook van de zon te genieten. Dochter ging zitten op een kleine kruk met uitzicht op de tuin, terwijl kleinzoon cirkels tekende in krijt op de tegels. ‘Finn, niet op opa’s favoriete ligstoel tekenen’, zei moeder zonder op te kijken van haar telefoon. Finn knikte instemmend. Opeens hoorde hij het getjilp van onze vriend. Meef wilde geen aandacht trekken maar zijn geluk was zo groot dat hij zijn lied niet meer kon inhouden. Het gezang maakte Finn ook vrolijk en hij wilde de vogel begroeten. Toen de jongen Meef benaderde, werd de vogel stil. De druppels hielden op met vallen.

‘Wat een mooi lied heb je’, zei de jongen tegen de vogel, ‘is dat helemaal van jezelf?’. Meef knikte met zijn kleine kop en de jongen glimlachte. ‘Ik vind je kleuren en je grappige tenen leuk’, vervolgde de jongen nu hij Meef’s aandacht had. ‘Ik hou van vogels, net als opa.’ Om zijn punt te bewijzen, begon Finn vogels op te noemen die hij kende: ‘Ik hou van de eend en de zwaan en de kraai en de roodborst met zijn rode borst…’. Toen stopte hij opeens. Moeder zei dat je niet met vreemden mocht praten en hij was vergeten de vogel zijn naam te vragen. ‘Sorry, wij kennen elkaar nog niet, ik ben Finn en jij?’, vroeg de jongen met een verlegen blik. Die dag had Meef voor veel verwarring gezorgd en al begreep hij zulke mensenvragen nooit zo goed, zijn antwoord had hij altijd klaar. ‘Ik ben Meef en altijd zo geweest’. Finn’s aarzeling veranderde in een glimlach en zijn ogen vulden zich met wonder. Hij draaide zich om: ‘mama, kijk hier, dit is Meef’. ‘Heel mooi, schat’, antwoordde ze zonder op te kijken, ‘en ga alsjeblieft niet in de modder’. ‘Ja, je bent heel mooi’, knikte Finn als bevestiging. ‘Ik ga opa alles over je vertellen’, zei hij tegen Meef, ‘opa houdt van vogels’. Hij stond op en rende naar binnen. Meef bleef achter op zijn tak.

Dag Meef.

IX  —  Gewone Wonder

‘Opa, opa,’ Finn kon zijn opwinding niet verbergen, ‘ik zag een hele mooie vogel in de tuin, kom je kijken?’. De professor zag de kleine jongen naar hem toe rennen en spreidde zijn armen voor een warme knuffel. Finn ontspande zich op opa’s schoot en keek tevreden naar de opengeslagen boeken op het bureau.

‘Niet nu, Finn-Finn’, zei de professor met een zachte stem, ‘de wetenschap roept en jouw opa moet antwoorden.’ Finn keek verward, hij zag niemand anders in de kamer en de telefoon lag stil op tafel. Voor het eerst sinds hij zijn boeken was ingedoken, dacht de professor weer aan Meef. Maar Meef was weg. Fridman’s ogen werden groter toen hij besefte dat de vogel die hij bestudeerde hem was ontsnapt.

Plotseling was hij ontzettend moe. Ik ben echt te oud voor dit, dacht hij, te oud om nieuwe ontdekkingen na te jagen. Nu was hij nog blijer dat Finn er was. Het gewicht van de kleine jongen op zijn benen troostte de professor. ‘Wat is er zo mooi aan die vogel?’, vroeg hij zijn kleinzoon als afleiding. Finn was bezig onzichtbare lijnen te trekken langs de verschillende vogelillustraties. ‘Weet ik niet, opa, hij is geen van deze’, Finn wees naar de boeken, ‘hij is Meef’. ‘Dat is een grappige naam voor een vogel, Finn-Finn’, zei opa, ‘vogels moeten een formele naam hebben’. ‘Maar dat is wie hij is, opa’, antwoordde Finn, ‘altijd zo geweest’. Meef, dacht de professor, die jongen mixt en matcht vogelnamen. ‘Ik hoop dat als je ooit de kans krijgt een echte vogel te benoemen, het iets zal zijn als Finnicus Avis’. Finn probeerde de naam uit te spreken maar faalde. ‘Het heeft geen zin,’ vervolgde zijn opa, ‘mijn kans op roem is net weggevlogen en ik ben te oud en te moe om zeker te zijn van wat ik nou eigenlijk heb gezien’.

Finn wist dat opa alle vogels kende die bekend waren bij de mens. ‘Opa’, zei hij terwijl hij stopte met traceren, ‘als jij alle vogels kent maar deze ken je niet, betekent het dat die vogel geen vogel was?’. ‘Het betekent dat ik niet zeker weet wat voor vogel die vogel is’, riep de professor uit, ‘en nu hij ontsnapt is, zal niemand erover weten en zal hij voor altijd onbekend zijn, gewoon zomaar’. Gewoon zomaar, dacht de jongen in zichzelf, net als giechelen zonder mopje of toetje vòòr het avondeten. Finn sloot het boek voor zich dicht en sprong van opa’s schoot. ‘Maar dat is prachtig, opa’, zei de jongen tegen de oude man, ‘dus Meef is gewoon Meef!’ Hij kuste de gerimpelde wang en rende terug naar de tuin.

De professor leunde achterover in zijn stoel en keek zijn kleinzoon na. Met zijn hand ging hij over de natte plek waar de jongen hem een kus had gegeven. Hij had zo graag nog één laatste blik op die vogel willen werpen. In plaats daarvan observeerde hij tevreden de vlekkendans van licht en schaduw, die door de deur naar binnen scheen. ‘Mijn trouwe vergrootglas was jarenlang mijn lens op de wereld,’ zei hij hardop tegen de stoffige kamer, ‘misschien is het tijd voor een ander soort zien.’ Hij zal daar nog lang zitten. Lang nadat Finn in de tuin op zoek was gegaan naar andere wonderen die gewoon waren, en altijd zo geweest.


English

[ Engelse vertaling volgt — Piguel, Just as Always ]


Als dit verhaal je aanspreekt — als lezer, uitgever, of iemand met een eigen verhaalidee — hoor ik graag van je. Neem contact op.

Michal Merzel

artist  ·  writer  ·  thinker

Work    [Zelf]portret    Contact    Instagram    X


© Michal Merzel